Eiken met een Parijse uitstraling, zo haal je die look in huis

Wie door een oud appartement in Parijs loopt, kijkt al snel naar beneden. In de statige woningen uit de negentiende eeuw ligt vaak eiken parket, met hoge plafonds en sierlijsten erboven. Franse makelaars noemen daarbij drie klassieke legpatronen. Er is het parket in panelen dat naar Versailles is vernoemd, er is het bâton rompu en er is het point de Hongrie. Die laatste twee lijken sterk op elkaar, toch zie je het verschil meteen als je weet waar je moet kijken.

Het verschil zit in de uiteinden

Bij het bâton rompu, in Nederland bekend als visgraat, liggen rechthoekige stroken haaks tegen elkaar. Elke rij springt een stukje op, waardoor een getrapte zigzag ontstaat. Bij het point de Hongrie zijn de uiteinden van de stroken schuin gezaagd, meestal onder een hoek van 45 graden en soms onder 60 graden. De stroken sluiten daardoor precies op elkaar aan en vormen lange, doorlopende punten. Het oog leest die diagonalen als één beweging, waardoor het geheel strakker oogt.

In Nederland heet dit patroon de Hongaarse punt. Waar de naam precies vandaan komt, weet niemand met zekerheid. Wie een vloer in Hongaarse punt overweegt, kiest in elk geval voor een patroon dat zowel in een klassiek herenhuis als in een strak nieuwbouwappartement op zijn plek valt. De punten geven richting aan een ruimte. Laat je ze in de lengte van de kamer lopen, dan oogt die dieper.

Rust in het hout

Een patroonvloer kan onrustig worden als er in het hout zelf ook veel gebeurt. Bij eiken bepaalt de sortering hoeveel knoesten en kleurverschil je ziet. Een rustige sortering met weinig knoesten laat de tekening van het patroon het werk doen. Een levendige sortering met meer karakter past beter bij een landelijk of robuust interieur.

Ook de maat van de stroken speelt mee. Stroken van ongeveer twaalf centimeter breed en ruim een halve meter lang geven het klassieke beeld dat je in Parijse salons ziet. Bredere stroken maken het patroon groter en moderner, wat goed werkt in een ruime woonkamer met veel glas.

De afwerking maakt het verschil

Een kale eiken vloer heeft bescherming nodig, en daarvoor kies je meestal tussen olie en lak. Olie trekt in het hout en geeft vaak een warmere, iets donkerdere tint. Klassieke lak beschermt goed tegen slijtage, maar laat een laagje glans achter dat je ziet zodra het licht laag binnenvalt. Bij een patroonvloer kan die glans afleiden van de lijnen die je juist wilt laten zien.

Daar zocht de Nederlandse RIGO Verffabriek een oplossing voor. Het familiebedrijf uit IJmuiden maakt al sinds 1938 verf, olie en lak. In 2003 ontwikkelde het bedrijf een techniek om de uitstraling van vers geschuurd hout te bewaren en het hout tegelijk te beschermen. Zo ontstond SKYLT, een watergedragen polyurethaanlak met twee componenten. De lak heeft een glans van minder dan vijf procent en blijft ook bij een lage kijkhoek mat. De vloer ziet er daardoor uit alsof hij onbehandeld is.

Geduld na het lakken

Voor lichte houtsoorten bestaat de variant Original, voor donkere houtsoorten de variant Titanium. Je brengt drie lagen aan, of eerst een grondlak en daarna twee lagen. Tussen de lagen zit steeds een paar uur droogtijd. Daarna begint het belangrijkste deel, want de twee componenten hebben ongeveer een week nodig om volledig uit te harden. Volgens de productinformatie mag het oppervlak de eerste veertien dagen na de laatste laag niet met water in aanraking komen.

Wil je de tekening van een nieuwe patroonvloer zo puur mogelijk houden, dan is afwerken met Skylt lak een optie om met je parketteur te bespreken. Reken er wel op dat kleine krasjes na verloop van tijd bij het karakter van de vloer horen. De fabrikant raadt aan om zo’n vloer te reinigen met een middel dat speciaal voor deze lak is gemaakt, zodat de matte uitstraling behouden blijft.

Luxueus Redactie

Redacteur bij Luxueus met een passie voor luxe lifestyle, mode en de mooiste woontrends.